De Wet op de dierproeven

Het ministerie dat primair verantwoordelijk is voor dierproeven en de bijbehorende wetgeving is het ministerie van Economische Zaken. De wet bepaalt dat de vergunning voor het verrichten van dierproeven wordt verleend aan een persoon, een natuurlijke of rechtspersoon. Voor BPRC is de instellingsvergunninghouder de directeur. Op 18 december 2014 is de herziene Wet op de Dierproeven (WoD) in werking getreden. Met de nieuwe wet is de Europese Richtlijn 2010/63/EU in de Nederlandse wetgeving ge├»mplementeerd. Er is veel veranderd onder de nieuwe wet. Twee nieuwe organen zijn opgericht, de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) en het Nationaal Comit├ę advies dierproevenbeleid (NCad).

Een belangrijke rol is weggelegd voor de CCD. De bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor dierproeven ligt bij de CCD. De CCD vraagt advies aan een erkende Dierexperimentencommissie (DEC). De eisen die aan de leden van de DEC worden gesteld, waaronder bepalingen die moeten garanderen dat de commissie onafhankelijk van het onderzoeksinstituut is, worden duidelijk omschreven in de Wet op Dierproeven. Het uiteindelijke advies van de CCD is gebaseerd op het advies van de DEC, maar kan daar ook vanaf wijken.

Het NCad heeft een adviserende functie op het gebied van de 3V's: vervanging, vermindering en verfijning.

De wet stelt verplicht dat elke instelling een instantie voor dierenwelzijn (IvD) instelt. De IvD is belast met advisering van personeel en vaststelling en toetsing van procedure over zaken op het gebied van dierenwelzijn, de 3 V's, nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen en toezicht op het ontwerp en de uitvoering van dierproeven.

Meer informatie over de nieuwe wet op de dierproeven is ook te vinden op de website van de Stichting Informatie Dierproeven.